Belevenissen tijdens de bezetting, door H.L. Rustema

Mijn grootvader vertelde af en toe over wat hij had meegemaakt. Omdat hij voor zijn vrouw nogal eens in herhaling begon te vallen vroeg ze hem het eens op te schrijven. Ik heb het overgetypt.

Belevenissen tijdens de bezetting van Nederland door Duitsland in de jaren 1940 tot 1945 en de gevolgen hiervan.

Op 5 mei 1940 werd Nederland onder de voet gelopen door het leger van Duitsland. Hier in Baflo en verder het hele noorden van de provinicie werden we er eerst nog niet zo bij betrokken. We hoorden vanzelf wel dat er verschillende bruggen door de Hollandse soldaten waren opgeblazen. We waren aan het werk in Harkstede bij de Woudbloem maar konden er de eerste tijd niet meer heen. Hier waren vanzelf ook wel mensen die met de Duitsers simpiseerden. Zoo ging ik eens op de fiets bij de kerk langs Concordia met de hoorn op de rug en trok in een opwelling een groot papier van de bezetter van de schutting, dat niet in goede aarde viel bij een zeker iemand die het doorvertelde, zeker in gezelschap waar het weer op den duur ter oore kwam van een verkeerde, die gaf het aan de politie door. Die kwam erop af maar omdat die wel goed was kwam ik er met een waarschuwing af.

Nu was er een firma in Balfo die iemand van zijn kantoor moest afstaan om in Duitsland te werken. Die firma wou wel enkele personen leveren om zijn bediende te kunnen behouden, met tot gevolg dat ik, en enkele meer, gingen onderduiken. Zoals dat in die dagen dan veel werd gedaan. Dat was in maart 1943. Ik moest me melden in Groningen. Een dag daarvoor ben ik van huis gegaan en niet meer te achterhalen door de plaatselijke polietse. Die kreeg te horen dat ik er niet meer was.

PS. de namen van de beschreven personen zijn bij mij bekend.

Na een paar dagen ben ik van Groningen met behulp van de ondergrondse in Meppel terecht gekomen. Daar vandaan weer met andere geleide met de trein naar Gorsel (Gelderland) vervoerd. Zoo kwam ik daar bij boer Ilbrink in de Eesterhoek terecht en ging bij timmerman Boerstoel daags aan het werk. Hier kreeg ik van de ondergrondse te horen dat ik me in verbinding moest stellen met instanties in Baflo om een vertrekpapier. Dat durfde de betreffende aamtenaar niet, met gevolg dat de Duitse overvalmensen mij van bed lichte en ik geen verblijfsvergunning kon tonen en vervolgens met meerdere onderduikers naar de koepel in Arnhem vervoerd met een overvalauto.

De dag ervoor was ik toevallig naar mijn brer in den Ham geweest, die was daar ondergedoken. En was ik daar de nacht maar overgebleven was ik de ons net ontlopen, maar ja dat denk je dan wel. Na enkele dagen met zoo’n 6 man in een cel gezeten werd ik met meerdere naar het kamp in Amersfoort gebracht. Hier werde we kaal geschoren, dat heet gemillimeterd. Je leek er eerst net een stelletje boeven, dat waren we vanzelf ook in hun ogen. Ik kreeg een nummer, dat was 1453, op de jas genaaid. Ik had toen een uniform aan van hollandse matrozen. Er was niemand van de gevangenen die in gala liep. Volgens de komedant hadden we het er best. Alleen wij als gevangenen kregen niet veel te eten, dat was wel te zien als we sommigen zagen onder de douche met hele lappen vel aan hun lichaam die net als zakken naar beneden hingen.

Na enkele weken in dat doorgangs lager doorgebracht werden we met een soort bezemsteel bij ene been langs onder en boven om je been en middel vastgemaakt en dan met handboeien twee aan twee naar de trein vervoerd. We kregen in het kamp een papier mee dat we als vrije arbeiders naar Duitsland gingen. In het station zagen de mensen die uit de trein kwamen wel dat we van het kamp kwamen, die gooiden hun brood enz. naar ons toe. Nou dat kwam goed uit. Het kwam vanzelf telkens voor denk ik. Er ging zelfs een vrouw met de trein mee tot hoe ver weet ik niet, maar die zorgde op de perrons waar de trein even stilstond dat de mensen ook daar eten door de geopende ramen naar binnen gooiden. Verschillende jongens gooiden er kaarten uit met gegevens of ze die naar de familie wilden sturen. Zoo kreeg Bien ook bericht dat ik over grens gegaan ben.

De trein ging over Deventer Oldenzaal naar Benthem denk ik. Hier werd ons eten verstrekt en door een dikke mof begroet met een rede die ik vanzelf niet verstond. Zoo ging de reis dan verder naar Berlijn waar we ondergebracht werden in een doorgangs lager. Hier werden we als slaven uitgezocht door verschillende firma’s en kwam ik als timmerman terecht bij de Firma Knupfer in Berlijn Fridichshagen met enkele anderen uit onze club uit Amersfoort. Het gebouw waar we heen gebracht werden was schijnbaar een badgelegenheid met een groot gebouw aan de Uugelsee dam, wat misschien als dansgelegenheid was gebruikt. In dat gebouw had de Firma Knupfer en een schildersfirma kamers in afgetimmerd. Hier werde we ondergebracht en moesten dan de volgende dag aan het werk. We spraken echter af dat we niet aan het werk gingen. De dag erop kwam de hoofduitvoerder en vroeg waar we bleven. Hij dacht misschien dat we werkkleding en gereedschap hadden. Zoo werden we dezelfde dag nog voorzien van werkkleding en gereedschap. Ik kreeg een soort bretelpak en sloffen, een spanzaag en punthamer, een bijl een paar houtbeitels. De kosten hiervan werd ons van het loon afgehouden. De volgende dag werd ik met de tram en trein bouwplaats gebracht. Hier moest ik als timmerman met een Duitser helpen met het opzetten van barrakken. Alles stond me tegen de taal was me vanzelf ook vreemd zoodat ik er heel onwennig stond bij te kijken. Toen zei de man (het was al een oudere man) dat ik mijn handen moest gebruiken. Hij zei dat ik toch naar Duitsland was gekomen om te werken. Ik zei ja en trok mijn muts of pet, weet ik niet meer, van mijn hoofd waar vanzelf geen milimeter haar op stond. Ach zoo zei hij wat ik op mijn kerfstok had. Toen kreeg hij door dat ik niet vrijwillig was. Ze hadden hun verteld dat ze goede mensen uit Holland kregen, maar dat hebben ze langzamerhand wel doorgekregen, dat we gedeporteerden waren en niet vrijwillig. Nu was die timmerman geen partijman en kon ik later aardig goed met hem overweg. Hij had de oorlog 14-18 ook al meegemaakt. We moesten schotten stellen die pasklaar aankwamen van de fabriek. Ze sloegen met een grote bijl de boel tegen de zijkant van de schotten, met gevolg dat het al slechter ging. Toen zei ik dat ze het zo niet moesten maar wat zou een buitenlander er van weten sloegen er nog meer tegenaan. Ik hield er toen een stuk hout tussen, wat vanzelf heel wat beter ging. Toen vroeg hij wat ik in Holland was. Ik beduidde hem van timmerman. Ik had op mijn pas laten zetten van meestertimmerman, dat bracht in geld wat meer op. En we waren zogenaamd vrije arbeiders, dat stond op ons papier van Amersfoort al waren we met een soort bezemsteel bij een been langs met onder en boven met een touw om je been vastgemaakt zodat je niet zomaar onderweg weg kon lopen.
Toen we in Berlijn waren was het niet meer zoo, er moest nu gewerkt worden als we tenminste zin hadden. Zoo was ik dan de 16 maart van huis gegaan en eind maart in Gorsel aangekomen. In augustus 1943 opgepakt en enkele weken in de koepel in Arnhem en van daar naar Amersfoort waar ik omstreeks 1 oktober 1943 uitkwam en 9 oktober mijn fremdenpas in Berlijn kreeg. We kregen als vrije arbeiders een bonkaart waar we wat op konden kopen. We kregen in hotel Bellevue op bonnen 1 keer per dag warm eten verder konden we in de winkels op bonnen wat kopen. Zoo vond ik een keer voor een winkel een bonnetje en vroeg wat daarop te krijgen was en kreeg er een fles drank op. Dat was wat toen ik ermee in het lager kwam. Ze wilden er direkt mee aan de gang, maar ik zei dat we hem leeg gingen maken zodra we bevrijd waren en dat is ook gebeurd. We sliepen in een kamer waar aan twee zijwanden 8 stapelbedden stonden en aan de voorzijden een paar ramen met een kookkachel, waar we zelf nog wel wat konden koken. Brandstof namen we mee en zoo hadden we het niet koud. Ik nam vaak wat mee van de werkplaats. Daar heb ik met de meest voorkomende machines gewerkt. Die oudere timmerman, Erdman heette die, was in zijn jonge jaren soldaat geweest, die moest mij dan bestellen hoe en wat. Daar besprak de polier (dat is voorman) het werk mee. Dat was van hun kant ook aannemelijk. Hij snapte er soms niks van en zei dan maar ja. Ik zei dan later zoo moet het niet, maar ja wat weet een buitenlander. Later zei hij dan tegen me of ik het verstaan had. De poelier was een partijman, maar wel een man waarmee te praten was. Die man had in de oorlog 14-18 3 broers verloren. Ik vroeg hem eens waar de joden in Duitschland waren gebleven. Dat wist hij niet. Toen zei ik dat ze in de kampen vergast werden, wou hij dat vanzelf niet geloven. Dat doet een duitser niet zei hij…
We waren eens een keer in het schaflokaal en toe zei de schaffeur tegen de poelier of als we behandeld worden zoals de soldaten aan het oosten in Rusland enz de mensen behandeld hebben dan was het niet best. Nou dat is dan ook wel uitgekomen. Zo deed elk zijn best. Ik heb wel koffers gemaakt voor deze en gene. Dat stiplen nam ik dan pas gemaakt uit de werkplaats mee spijkerde die in elkaar in het lager. Daar kreeg ik dan weer brood voor. We hadden ook een Frnasoos en een Spanjaard bij ons die hadden soms een konijn die dan gingen braden, maar bleek later katten te wezen en aten er lekker van. Ik dacht in de winter 43-44 ik wil ook een wild konijn en ging bij de werkplaats strikken zetten maaar daar liep de poelier in vast, dat was ook weer mis. Daar stond een zware straf op zei hij.

Ik heb in de periode 1943 tot 1945 heel wat eten uit Baflo ontvangen. Dat was een hele bijvulling voor ons. De broer van P. de vries die het onderste bed beneden sliep was bakkersknecht in Berlijn en kwam soms met meel in het lager zoodat we heel wat meelpap hebben gegeten en kregen eerst van die opgezette koppen. We hadden in de kamer ook een man uit Zwolle die ze gepakt hadden in Nederland als zwarthandelaar. Die ging na het werk bij de duitsers aan het werk en kreeg daar geld en eten voor. Als hij dan ‘s avonds, als we op bed lagen, dan nog eens begon te bakken en te eten. Daar waren we gauw zat van en heben de lamp kapot gegooid en wou hij mij met een mes te lijf. Maar over het algemijn was de verstandhouding goed onderling. En zo kan ik nog wel een tijd doorgaan.
Ik ging meestal zondag ‘s morgens naar een kerk. Nu kon ik er vooral in het begin niet veel van verstaan, maar dat werd later wel beter. Zoo was het ook met de couranten, dat ging langzamerhand ook beter te lezen. Die P. de Vries was Rooms en vroeg hem eens of ik zijn gebedenboek eens mocht inzien en lezen, maar hij wou mijn bijbeltje niet hebben, dat was toen zeker verboden van de pastoor. Nu is dat geloof ik niet meer zoo. Omdat ik veel op de werkplaats was kwam ik vanzelf ook wel op kantoor. Ze vonden het zo mooi als ik foto’s uit Baflo kreeg. De foto van ons huis vonden ze zoo mooi en van Bien en Sietze. Ik zei eens een keer, toen hij zelf en zijn dochter op kantoor waren, dat ze geen nasies waren. Nee zij Knupfer toen, maar we moeten meevaren.

De heer Knupfer heeft de oorlog niet lang overleefd en de fam is toen uitgeweken naar het westen ik meen van naar Bremen ofzoo. De bouwfürer, dat is de hoogste uitvoerder (een partijman), kwam eens een keer bij me in het schaflokaal met een papier of ik dat even wou tekenen. Ik zei dat hij me eerst even moest vertellen wat er in stond. Het kwam hier op neer dat ik me ging verplichten om achter het front wat kapot was mee helpen weer op te bouwen enzovoort. Ik zei tegen hem at ik Holland niet voor de weermacht wou werken en in Duitschland ook niet. Toen werd hij kwaad en zei dat hij me wel zou krijgen, maar hij kon me niks maken omdat op mijn pas stond dat ik als vrij arbeider aangenomen was.

Met de kerstdagen hadden we een paar dagen vrij. Ik zei tegen de voorman dat ik best een paar dagen naar huis kon gaan. En dan niet meer terug zei hij, maar dat was ja vanzelf dat ik terug ging, zie ik omdat het daar zoo goed was. Hij had het zeker wel door ik Berlijn niet weer zag, dus die vlieger ging niet op. Het was één van ons wel gelukt. Hij kreeg een brief van huis dat zijn moeder heel ziek was met een stempel van de burgemeester van Venlo erop. Hij was in 2 dagen weg. Zijn moeder had die brief zelf geschreven. We hebben hem vanzelf niet meer gezien. Het was voor hem wel duidelijk maar daar hadden die moffen geen erg in. De winter 43-44 zijn we behoordelijk goed doorgekomen. Het was wel een uitzichtloos bestaan. En maar steeds afwachten hoe lang de oorlog nog zou duren. Een paar huizen van ons vandaan woonde een Duitser die was in Berlijn al twee keer uitgebomd. Hij vroeg ons of we hem even wilden helpen een paar ramen dicht te spijkeren. We zouden het goed bij hem hebben. Toen we er waren zei hij “Kom we gaan eerst even naar de buitenlandse zender luisteren.” Hij ging op die Hitler te keer, daar moest hij niets van hebben. Dus geen partijman, nu weer iets anders. De moffen hadden op het meer hier en daar grote platvormen in het water met grote ijzeren platen er op. Dat moest dan heten dat daar fabrieken waren en dan zouden de bommen in het water vallen. Het was voor ons wel mooi want ik ben eens het meer over gezwommen en dan kon je onderweg er even op rusten. Ook ben ik eens een keer met de E en V-baan alle hoeken van Berlijn afgereisd met 1 kaart, als je maar op de stations bleef. Ook ben ik een paar keer op zondag naar de Domkerk geweest, die stond bij het Keizerlijk paleis. Daar preekte Dr. Dibelus, die later hoofd was van de hele Evangelische kerk. In het voorjaar van 45 kwam ik ook eens weer, toen lag de hele buurt daar in puin en zoveel midden op die brede boelevaar dat je kon er wel zeeschepen mee vullen. Waar je langskwam en dan enkele dagen later weer, dan was het aanzicht heel anders. Je kon de buurt dan niet meer, zoo was dan alles kapot. Ik ging niet meer in de kelder onder het was waar we achter woonden, want als dat in elkaar klapte dan zaten we vermoedelijk als ratten in een val. We hadden bij ons een soort schuilkelder gemaakt. Dat was wel geschikt voor splingers van de flak enzo maar niet voor bommen. Er kwam eens een luchtmijn aan de overkant van de straat tegen een groot gebouw van wel veertig meter breed en wel 3 hoog en daar stond nadien geen muur meer van plm 3 meter hoog. Of er nog mensen onder weg gekomen zijn weet ik niet. Toen we er plm 40 jaar nadien kekek lag alles er nog net zo. Ik ging later als er weer luchtalarm gegeven werd dan snel naar de werkplaats, daar hadden we een schuilkelder gebouw met betonnen wanden van wel 80 cm dik en een plat dak van 2 maal plm 80 cm dik en daar nog heel wat grond en spoorstaven boven op.

Het was begin april 1945 dat het front van de Russen steeds dichter in de buurt kwam en het gebulder van de Stalinorgels enzo steeds duidelijker te horen was. Eerst kwamen de duitsers met het materiaal wat ze nog mee konden nemen langs de straat we aan woonden. Na enige tijd zagen we de eerste Russen aan komen. Een van die soldaten vroeg aan van Lanke die naast me stond hoe laat of het was, maar zoodra hij zijn horloge uit zijn zak trok was hij hem al kwijt. Ja, zo was het met alles. Even later waren 2 Russen elkaar aan het fietsen leren. Toen ze weer verder moesten gaven ze de fiets een duw dat hij over de straat vloog. Ik pakte die fiets op en dacht daar ga ik op naar huis. Wat later kwam ik met een heel zijde gezouten varken die we uit een koelcel hadden gehaald. En zo kwam de één met dit en de ander met weer wat anders binnen. Ja dat heette dan organiseeren.

Voor de vrouwen van de Duitsers was het niet zoo leuk. Die wisten niet waar ze zich moesten verschuilen voor de Russen. Minstens 2 hebben zich in het meer verdronken. De huismeester ging later naar buiten om op ons plavond boven, maar daar bracht hij dan water en eten heen voor die vrouwen daar.

Lang na de oorlog als de maandelijkse alarmsirenes boven op het gemeentehuis begon schrok ik eerst even. Nu doet het me niets maar de gedachte van toen blijft je toch wel even bij.

Een paar dagen later stond ik bij de poort. Toen kwam een jonge vrouw naar me toe. Of ik bij haar kwam te slapen. Ze zei dat één dat ging dan nog maar zoveel Russen in één nacht dat hield ze niet uit. Ik zei dat zich er maar mee moest redden en zei dat ze zich dan moest verstoppen. Nou het waren toen toestanden.

Ik ben ook nog eens naar de werkplaats geweest. Daar vond ik de fam Knupfer in de schuilkelder met nog wat wat buren dacht ik. Net kwamen er ook 2 Russen aan en ook vanzelf in de bunker. Daar ook de dochter van de baas met een gebreide muts op, dat moest lijken of ze een oud besje was. Ze zagen haar niet en liepen eerst door want daar zagen wel wat van hun gading. Ik haar toen gauw onder wat hout verborgen en toen gauw weggegaan, want de Russen hadden revolvers los zitten bij hun laarzen in. Een paar dagen later werd er gezegd dat de Amerikanen in Potsdam waren en zijn we met enkele kameraden lopend op afgegaan met een georganiseerde kar waar we onze koffers op hadden. Maar we moesten die broer van P. de Vries ook mee hebben en kwam middenin Berlijn in een straat waar geen mens liep. Daar werd door de Duitsers van één kant van de andere kant stonden er russische kanonnen. De vuurballen vlogen om ons heen. We maar gauw weer terug en kwamen dezelfde dag weer bij ons lager aan. We hadden die dag zo’n 35 kilometer gelopen en gelukkig ongedeerd. Toch zijn Achiel van Lanke en ik een paar dagen later met ieder een fiets op weg gegaan naar het Westen.

We kwamen die dag in Berlijn op een plaats waar een rus was vermoord en werden opgepakt door de Russen in een kelder gebracht voor verhoor. Hier lieten ze ons weer vrij met de mededeling dat we binnen een half uur een paar kilometer weg moesten wezen anders schoten ze ons neer. Dat incident liep gelukkig goed af. Alleen ik had een stuk droog spek achter op de fiets en dat hadden ze eraf gehaald. Zoo trokken we dan verder richting Brandenburg met onze fietsen waar we de achterbanden af hadden gehaald, anders waren we ze zoo weer kwijt door de russen. We spraken af om niet door de stad te gaan en er omheen te gaan, maar vonden nergens een brug waar over de Havel konden. Ten leste vonden we een roeiboot en zijn zoo over die rivier gekomen. Op zeker moment onderweg zagen we een uit elkaar gereten kar met kleren liggen met enkele ook buitenlanders uit elkaar gereten er bij. Die waren misschien op een landmijn of zoo terecht gekomen. Ja zoo kom je van alles tegen. Verder ging het maar weer. Des nachts vonden we wel een huis waar de mensen gevlucht waren om te slapen enzo. Zoo kwamen we dan verder al loopende met onze fietsen in Burg, zo’n 20 kilometer van Maagdenburg. In Burg mochten we niet over de Elbe, maar we in een lange kolonne onder geleide van russen weer terug gevoerd en over Kistrien naar de Zwarte zee terug moesten. Daar hadden we en meerdere het niet op begrepen en zijn we met nog enkele meer in een dorp achter gebleven in de buurt van Genthin. In een verlaten hotel.
De mensen waren daar ook gevlucht maar alles was er voor gebruik aanwezig, maar geen eten. Daar was kort bij een boerderij en daar kwamen ze al gauw aan met een verken die daar geslacht werd. Een paar van onze club hadden ook al gauw 2 jonge schapen. Geen mens natuurlijk die slachten wou of kon. Toen vroeg ik om een mes en heb toen de beide dieren geslacht en gebraden en wat overbleef in een paar inmaakpotten gedaan voor eventueel onderweg. Ik had van Berlijn naar richting Brandenburg nog kennis gemaakt met een Groninger. Hij zei dat we mooi met elkaar konden reizen. Nou dat leek me wel. Hij liet met wat foto’s zien van duitsers en zee en zo. Hij had het bij die mensen goed gehad en zei dat hij weer eens polshoogte ging nemen in Groningen bij zijn vrouw of die ook met Duitsers gemeenschap had gehad en zoo ja dan ging hij weer terug. Dus zei ik dat je vrouw moest zich niet afgegeven hebben aan Duitsers. Wat hij gedaan had dat was niet erg, maar zijn vrouw mocht zoiets niet doen. Ja het viel niet mee als zo lang van huis was. Nou ik was gauw met hem klaar en ben hem niet meer tegengekomen. Ja zoo kom je van alles tegen. We zijn dat hotel een paar dagen gebleven en zijn toen weer richting Burg gegaan. We wilden onze koffers enzo vanzelf graag mee hebben en hebben toen een paard en kar georganiseerd. De mensen keken ons wel wat raar aan, maar we zeiden dat dat spul een dag moesten gebruiken. Nou ja, we waren met zo’n zigeunerbende, maar het ging weer mooi in de richting waar we heen wilden. Toen we dan weer in Burg kwamen mochten we eindelijk over de Elbe. Daar was een noodbrug over gemaakt. We lieten toen alles achter en zoo kwamen we in handen van de Amerikanen in Maagdenburg. We kwamen daar in vrachtwagens van het leger en werden naar een buitenwijk van die stad gebracht waar de duitsers waren gevlucht of uitgejaagd. De huizen waren bemeubeld, maar konden er zo maar intrekken. Nou dat was weer wat anders. Het was er groot feest en heel mooi weer. Ze waren op de straat aan het dansen onder begeleiding van een piano die midden op de straat stond. De volgende dag kwam er zoo maar bericht dat we naar het station moesten en ja weer in legertruks. Op het station stond een trein klaar. Zoo vertrokken we dan in de richting Braunzwijk en Hannover. Het ging niet snel maar het ging toch in onze begrippen veel beter dan per benewagen. In Braunswijk of Hannover bleef de trein even staan en kregen we eten aan de lopende band. Dat was een kwestie van misschien ¾ uur en hadden alle reizigers eten gehad. Dat was goed geregeld. Dat waren Engelse soldaten. Verder ging het weer en kwamen tenslotte met de trein Reihne aan. Hier moest de trein wel stoppen. Hier was zo gebombardeerd dat de boel stuk was. We zagen bijvoorbeeld een locomotief recht op zijn kop staan enz. Hier moesten we achter elkaar door een hek en werden we overal waar we haar hadden bespoten met DDT voor luizen en ongedierte. Daar zag ik die jongen ook weer met USA op zijn trui, maar hij werd er wel uitgehaald omdat hij het SS-teken onder zijn arm had.

Hij had zeker gedacht dat ze hem met zo’n mooie trui dan wel lieten lopen. Alles wat waarde had moesten we toen afgeven. Ik had onderweg aan de kant van de weg enkele honderden DM gevonden. Laat dat toch liggen werd er gezegd. Maar ik zei het weegt niet zwaar en heb het meegenomen. Die moest ik inleveren en kreeg later thuis bericht dat ik dat in Hollands geld op kon halen van de bank. Het was in Hollands geld f757,50. Zooveel had ik ook ongeveer verspeld. Ik had in Berlijn op kantoor in overleg met de accoutent van de firma die werkte op de Amro Bank in Groningen geld meegegeven. Hij wou dat wel in Baflo afgeven. Wat was Bien blij dat het nooit aangekomen is, want zei ze, dan had ik een mof bij de deur gehad.

Van Reihne gingen we met Franse legerwagens over de grens naar Winterswijk. Daar werde ondergebracht in een school. Hier maar weer afwachten hoe we weer verder konden. Bellen was er vanzelf ook niet bij. We konden toen meerijden in een vrachtauto die naar Steenwijk moest. Dus in Ommen weer oponthoud. De burgemeester heeft daar een vrachtwagen opgezocht en werd wat benzine ingedaan en zoo ging het naar Groningen. Op de Heerenweg ben ik bij de 2de Willemsstraat gestopt en stapte zoo bij Oom Lucas en tante Maaike binnen. Daar konden ze bellen naar het postkantoor in Baflo. De dochter van Tillema ging toen direct naar Bien en toen naar Ep in de garage en toen zijn Ep en Bien met de kleine Sietze naar Groningen. Omdat de bruggen nog waren bij Groningen moesten ze over Aduard.

En zoo kwam ik dan na heel wat zwerven uiteindelijk weer in Baflo aan. De buren enz op de Nassaustraat hadden de boel versierd en de vlaggen hadden ze uit. Het was een hele drukte. Het was inmiddels 12 1946 geworden. Zelfs dominee Goortjes kwam er ook nog aan. De hele fam kwam er opaf. Vader en moeder en schoonvader enz. Moeder zei we hebben nog een paar schoenen voor je bewaard. Daar had ik geen behoefte aan. Ik had in Fridrichhagen een paar schoenen uit een grote hoop gezocht. De russen kregen daar soldatenpakken aan enz. Dat waren arbeiders uit Rusland die het leger tegen kwamen op hun naar Berlijn. Bien zei later dat ze mij eerst raar had aangezien. Ik had er zoo maar wat Duitse uitdrukkingen tussen door. Ja, we moesten eerst wel weer wat aan elkaar wennen. En dan de kleine Sietze, die vond het eerst maar niets zo’n vreemde kerel. Ik mocht hem eerst niet veel zeggen. Dan keek hij Bien aan of het wel goed kwam. Toen ik wegging was hij nog geen half jaar en was toen 2 ½ jaar. Het viel voor mij ook niet mee om weer wat aan het normale leven te wennen en werken wou ook eerst niet. Ik had in geen 2 ½ maand gewerkt in Berlijn. Ik zag enkele weken voordat de Russen er waren een schilder die heel mooi in de zon zat. Hij zei tegen met dat hij krank was. Ik dacht dat lijkt me ook wel en ben de volgende dag met rugklachten naar het kantoor gegaan. Daar zei ik dat ik een paar dagen naar het lager ging, maar ik ben niet weer aan het werk gegaan. Hier zijn tegenwoordig ook wel met rugklachten en het schijnt slecht te controleren.

Ja het valt ook niet mee als je zo lang uit je gewone leven en gedwongen wordt voor je vijand te werken. Vader zei eens tegen mijn broers wanneer zou Hilbrand weer een geregeld leven beginnen en gaan werken. Ik kan er wel inkomen dat iemand die lang werkloos is tegen het werk op ziet… Nou ja het is toch wel weer wat in orde gekomen. Bien had wel eens gezegd dat ik de belevenissen in de oorlogsjaren eens op moest schrijven. Dat heb ik in grote trekken dan nu gedaan. Als ik alles nog eens overdenk dan zijn er nog wel meer punten die wel te vermelden waren. Gelukkig ben ik gezond weer thuis gekomen en mag daar dankbaar voor wezen. Heel wat Nederlanders en andere arbeiders hebben in Duitsland hun leven moeten laten of zijn als infaliede mensen terug gekomen. Naar de laatste gegevens waren in het laatst van de oorlog 71/2 millioen arbeiders gedwongen daar te werken waar onder plm 500 duizend Nederlanders. We zullen hopen dat de mensen in de wereld van deze oorlog wat hebben geleerd maar zoo lang er mensen zijn zal er wel verschil van mening blijven.

H. Rustema
Willem de Zwijgerstr 6
Baflo

Bonus anecdote. In de jaren na de oorlog heeft mijn grootvader ook regelmatig zijn voormalige baas uit Duitsland uitgenodigd om op bezoek te komen in Baflo. Dat lag toen heel gevoelig. Het dorp sprak er schande van dat er een Volkswagen met Duitse kentekens op de oprijlaan stond… Dat was dan maar zo, maar dat hinderde hem niet. Er waren nu eenmaal ook ‘goede Duitsers’. In die jaren was dat geen makkelijk concept.

Meer beeld via de ether!


De Amsterdamse datacenters zorgen voor een overbelasting van het elektriciteitsnetwerk.
 Veel van de data is video. Allerlei diensten voor uitgesteld kijken hebben video’s op servers staan in Amsterdam. Maar de meeste mensen kijken ongeveer naar hetzelfde. Niet allemaal exact op hetzelfde tijdstip, maar de meeste bandbreedte en hosting is nodig voor populaire cultuur. Van populaire bestanden wordt zo dicht mogelijk bij de consument een kopietje bewaard zodat niet heel Europa de laatste aflevering van Game of Thrones uit Californië haalt maar dichtbij, op een server in Amsterdam bijvoorbeeld. Ook live-televisie op de kabel gaat via datacenters naar de kijker. 

DVB-T zendmast

Het is veel economischer om dergelijke ‘uitzendingen’ meer via een televisiezendmast de ether in te gooien. Met een antenne vang je het op en de televisie of het kastje dat ernaast of in de meterkast staat kan met het grootste gemak een buffer van enkele dagen aanhouden. Deze spullen staan toch al stroom te consumeren, laat ze dan wat zinnigs doen. Geen dure internetaansluiting met veel bandbreedte meer nodig. Een zendmast is heel zuinig. Of een uitzending nou naar 10 of 10 miljoen ontvangers gaat, dat maakt niets uit voor de stroomconsumptie van de mast.

Helaas is het aanbod in de ether in Nederland door verkeerde politieke beslissingen bedroevend. Sinds kort is het zelfs helemaal niet meer mogelijk om iets te ontvangen zonder weer een nieuw kastje te kopen. De auteursrechtwetgeving helpt ook zeker niet mee. Het duopolie in de infrastructuur van KPN en Ziggo werkt vernieuwing ook tegen. Zij willen consumenten graag volledig inpakken met een duur ’triple play’-aanbod: televisie, internet en telefonie in één abonnement. 

Dit is het moment voor de politiek om voor het milieu, het netwerk en als hele simpele lastenverlichting voor de consument een uitgebreid aanbod via de ether te realiseren zoals dat in een andere grote EU-lidstaten bestaat.